Vertaalbureau
Diensten
Kennis
Tarieven
Contact
Cursus
Tsjechisch Intensief
Toetsenbord
Cultuur
Portretten
Kalender
Literatuur
Pantheon
Tsjechisch
Engels

www.tsjechisch.nl

TSJECHISCHE PORTRETTEN (XVI)

Božena Němcová en het Tsjechische dorpsproza

In het midden van de vorige eeuw trad een schrijfster naar voren, die niet alleen de eerste vrouw in de Tsjechische literatuur zou zijn, maar bovendien een belangrijke rol zou spelen in de nationale en culturele renaissance. Božena Němcová werd op 4 februari 1820 in Wenen geboren als buitenechtelijk kind van de Tsjechische dienstboden Terezie Novotná en de Oostenrijkse koetsier Johann Pankl. Pankl huwde later met de moeder van het kind, dat de naam Barbara kreeg, waaraan zij later zelf de naam Božena toevoegde. Het gezin vertrok naar het Oostboheemse Ratibořice, waar Pankl in dienst kwam van hertogin Wilhelmina von Sagan. Het Duitse milieu waarin het meisje opgroeide en de Oostenrijkse afkomst van de vader deden allerminst vermoeden, dat Božena zich later zou ontwikkelen tot een vooraanstaand Tsjechisch schrijfster.

Levensloop
De kleine Božena bezocht de lagere school in Česká Skalice (1820-1830). In het Duitse milieu waarin zij verkeerde, maakte zij kennis met de Duitse klassieken en werd een bewonderaarster van Schiller en Heine. Haar eerste Tsjechische boeken las zij pas in 1840, toen zij al echtgenote en moeder was! Op zeventienjarige leeftijd trouwde zij op aandrang van haar moeder met de vijftien jaar oudere Josef Němec, een ambtenaar van het ministerie van financiën, die door zijn compromisloze houding als Tsjechisch patriot en deelnemer aan de latere anti-Oostenrijkse beweging allerlei problemen kreeg. Zo werd hij voortdurend overgeplaatst. Hierdoor was Božena Němcová echter in de gelegenheid het Boheemse en Slowaakse dorpsleven met zijn tradities en gebruiken te leren kennen.

Literaire activiteiten
Božena Němcová kreeg voor het eerst belangstelling voor de Tsjechische literatuur toen zij kennismaakte met het werk van de toneelschrijver Josef Kajetán Tyl, later bekend geworden door het lied "Kde domov můj" (Waar is mijn vaderland), dat in 1918 de nationale hymne van Tsjechoslowaakse republiek zou worden.

Nadat zij in 1842 naar Praag was verhuisd, schreef Božena Němcová haar eerste patriotisch gestemde gedichten, die literair nog van weinig betekenis waren. Later publiceerde zij haar "Národní báchorky a pověsti" (Volkssprookjes en sagen) gebaseerd op sagen, die zij uit Oost-Bohemen kende. Zij wijdde zich ook aan de bestudering van de volksliteratuur in West-Bohemen. Bovendien verdiepte zij zich meer en meer in de sociale problematiek van het plattelandsleven. Ook werd haar belangstelling gewekt door de Slowaken en hun volkskunst, die zij leerde kennen tijdens een verblijf in Sliač in 1855. Hieruit kwam een nieuwe publikatie voort: "Slovenské pohádky a pověsti" (Slowaakse sprookjes en sagen) uit 1858. Het materiaal voor sprookjes, dat zij in Bohemen en Slowakije vond, vulde zij met haar eigen fantasie aan. De van liefde en uiteindelijk geluk vervulde sprookjes en vertellingen vormden een tegenwicht tegen Božena's eigen dagelijkse zorgen. Haar man was in 1857 door zijn politiek gedrag vroegtijdig gepensioneerd waardoor het gezin in armoedige omstandigheden kwam te verkeren. Bovendien werd de culturele vrijheid door het Habsburgse neoabsolutisme sterk beperkt. De gezondheid van Božena Němcová liet steeds meer te wensen over en in 1862 stierf zij, nog geen 42 jaar oud in Praag.

In de periode, dat zij literair actief was, ongeveer vijftien jaar, schiep zij een opmerkelijk oeuvre, dat de overgang van de Romantiek naar het Realisme markeerde. In 1856 verscheen haar "Pohorská vesnice" (Het bergdorp) en "V zámku a podzámčí" (In en rond het kasteel), waarin zij een geïdealiseerde voorstelling geeft van de verhouding tussen adel en plattelandsbevolking. Zij ging ervan uit, dat de adel zou kunnen bijdragen tot Tsjechië's nationale renaissance. Hierbij toonde zij weinig oog te hebben voor de omvang van de nationale, sociale en klassetegenstellingen in het negentiende-eeuwse Bohemen. Zij hing een soort door Franse ideeën geïnspireerd utopisch socialisme aan en onderging ook de invloed van George Sand in haar feministische ideeën. Haar christelijke levensovertuiging bevatte ook elementen uit Rousseau's denken.

Božena's vaderlandsliefde had een tolerant karakter. Opmerkelijk is haar uitspraak: "Wie het eigen niet liefheeft, kan het vreemde niet liefhebben, wie zijn volk niet eert, kan ook een ander volk niet eren".

De grootmoeder
Blijvende roem verwierf Božena Němcová door haar "Babička" (De grootmoeder). Zij schreef dit onder treurige omstandigheden: de dood van haar zoon Hynek, die in 1853 overleed. Het verhaal is geen zuivere weergave van haar jeugdervaringen. Wel heeft de echte grootmoeder Magdaléna Novoïtná een tijdlang bij haar dochter in Ratibořice gewoond en grote invloed gehad op haar opgroeiende kleindochter. Wanneer Božena Němcová echter de wereld van haar jeugd en van het Boheemse dorp doet herleven, is dit geen beeld van de werkelijke herinneringen aan haar kinderjaren, maar van een troostende droomwereld, die zij ook in Tsjechische en Slowaakse sprookjes zocht en in haar eigen werk gestalte gaf. Veelzeggend zijn haar woorden over het verloren paradijs van haar jeugd: "Ik vluchtte in dit eenzame huis in het kleine dal, zat aan de voeten van mijn lieve grootmoeder, en toen ik haar verstandige woorden vernam, haar liederen en sprookjes, verrees voor mij haar beminnelijk beeld, en het was alsof ik een meisje was, dat met vrolijke gedachten door de weiden, bossen en wouden liep, de eerlijke zielen bezocht en bij hem de gehele overige wereld vergat met al haar beslommeringen ..."

De grootmoeder heeft in de roman eigenschappen, die als typisch worden beschouwd voor de eenvoudige vrouw van het Boheemse platteland. Deze karaktervolle vrouw heeft een eigen levensfilosofie en levenswijsheid verworven en weet anderen met raad en daad bij te staan. Zij is de verpersoonlijking van positieve levenswaarden. Zelfs "het kasteel", d.w.z. de hertogin roept de raad van de grootmoeder in.

Door de tekening van volksgebruiken en tradities kreeg het werk van Božena Němcová het karakter een "encyclopedie van het Tsjechische dorp". Het meest populair bleef echter "De grootmoeder", dat in ruim twintig vertalingen verscheen!

Terecht concludeert A.H. Hermann in "A History of the Czechs" (1975): "In the years following 1848 Božena Němcová was one of the few writers who satisfied the true spiritual needs of the nation". En Jörg K. Hoensch merkt in zijn: "Geschichte Böhmens" (1992) op: "... Němcová, die neben der nationale Komponente bewusst den sozialen und liberalen Strömungen ihrer Zeit Ausdruck verlieh ...".

In Česká Skalice, waar Božena Němcová de lagere school bezocht, herinnert een monument op het marktplein aan de Grote Tsjechische schrijfster. Op het gebouw van de Tsjechische Handelsbank (Na Příkopě 14/854) in de Nové Město in Praag is een gedenksteen met een buste van Božena Němcová aangebracht vervaardigd door B. Neužil. Belangrijker is dat haar werk nog steeds aandacht krijgt als een hoogtepunt van de Tsjechische literatuur.


www.tsjechisch.nl - Copyright ZBB Vertaalbureau - e-mail: zbb@tsjechisch.nl