Vertaalbureau
Diensten
Kennis
Tarieven
Contact
Cursus
Tsjechisch Intensief
Toetsenbord
Cultuur
Portretten
Kalender
Literatuur
Pantheon
Tsjechisch
Engels

www.tsjechisch.nl

TSJECHISCHE PORTRETTEN (XIX)

Bohumil Hrabal, een filosofische vagebond.

De bekendste Tsjechische schrijvers zijn op het ogenblik ongetwijfeld Milan Kundera a Bohumil Hrabal. Beide zijn in vele talen vertaald en ook verfilmd. De nu tachtigjarige (1995) is een bekend type in enkele Praagse cafés waar hij stof opdoet voor zijn vele verhalen. Hrabal is evenals Tsjechov de meester van het korte verhaal, gebaseerd op vaak banale gebeurtenissen. Maar de simpele feiten van het dagelijks leven weet hij dankzij zijn poëtische vermogen en filosofische verbeeldingskracht boven de gewone alledaagsheid te verheffen, veelal met een vleug groteske humor. Zijn grote voorgangers en leermeesters zijn Kafka en Jaroslav Hašek, de bekende schrijver van "De avonturen van de brave soldaat Švejk". Hrabal kreeg niet alleen de prestigieuze Tsjechische Jaroslav Seifertprijs (1993), maar ook buitenlandse prijzen.

Bohumil Hrabal werd in 1914 in Brno geboren, waar zijn stiefvader bedrijfsleider was in een bierbrouwerij. Zijn jeugd bracht hij door in het stadje Nymburk, zestig km ten noord-oosten van Praag. In een interview zei Hrabal: "Heel belangrijk voor mij was het landschap rond Nymburk, dat prachtige vlakke land. Daarom hou ik ook zo van Holland, van Rembrandt, van die onbegrensde horizonten bij jullie ... Toen ik voor het eerst in Holland was, herkende ik meteen mijn Nymburk. Nymburk werd zo'n achthonderd jaar geleden, in de gotiek, niet allen door Duitsers, maar ik geloof ook door Nederlanders gesticht. In Holland besefte ik dat ik een Hollander was in Bohemen ...".

Hij studeerde rechten aan de befaamde Karels Universiteit in Praag, een studie die hij door de Duitse bezetting moest afbreken. In 1946 voltooide hij echter zijn studie en oefende vervolgens veelsoortige beroepen uit, zoals verzekeringsagent, handelsreiziger, arbeider in een ijzergieterij en een oud-papierhandel; beroepen waarin hij de nodige stof voor zijn verhalen verzamelde. In de donkere jaren van het stalinisme was hij immers gedwongen allerlei baantjes te accepteren. Nadat hij in 1968 de invasie van de Warschautroepen in zijn land had veroordeeld, kreeg hij een schrijfverbod opgelegd. Maar in 1975 betuigde Hrabal spijt over zijn anti-Russische uitlatingen in het tijdschrift "Tvorba" (Schepping) en sedert 1976 kreeg hij weer toestemming om te publiceren, ook al greep de censuur herhaaldelijk in. Tegelijk publiceerde hij in 'samizdat'-tijdschriften en in het buitenland.

Deze begenadigde verteller zoekt zijn thema's in het leven van eenvoudige mensen, in de marge van de samenleving, dit in tegenstelling tot Kundera. Zijn taal is die van het gewone volk, onconventioneel als Hrabal zelf. Zijn geliefde schrijvers zijn naast de reeds genoemde Hašek en Kafka: Joyce, Rabelais, Baudelaire, Rimbaud en T.S. Eliot ("The waste land"). Ook is hij een groot bewonderaar van filmsterren als Charlie Chaplin en Buster Keaton. Hrabal toont tegelijk belangstelling voor de moderne beeldende kunst, de filosofie en de barokke literatuur, hetgeen ook tot uitdrukking komt in de vele aspecten van zijn werk. Dit oeuvre heeft veelal een absurdistische ondertoon met een vleug zwarte humor.

Het kelnertje en de hoge heren
De novelle "Zwaar bewaakte treinen" (1965) waarnaar een met een Oscar bekroonde film is gemaakt, speelt in 1945, nog vóór de Duitse capitulatie. Het is het verhaal van een jonge Tsjechische spoorwegbeambte. Het proces van de sexuele volwassenwording van de jongeman mondt uit in een verzetsdaad: het laten verongelukken van een Duitse munitietrein. Hij moet dit met de dood bekopen. Het op elkaar gepakte vee, dat door de Duitsers in lange treinen wordt vervoerd, lijkt te verwijzen naar het onmenselijk optreden van de nazi's tegen hun gedeporteerde slachtoffers. "

Ik heb de koning van Engeland bediend" (1976) is een surrealistisch verhaal, bestaande uit een verzameling kleurrijke anekdotes met als hoofdpersoon een klein (letterlijk en figuurlijk) kelnertje, dat zich in de wisseling der tijden (Masaryk-regime, Duitse bezetting, communistisch bewind) poogt staande te houden. De grootste triomf in zijn leven was het feit, dat hij eens de keizer van Abessinië Haile Selassie mocht bedienen. Wegens de bewezen diensten spelt de keizer hem naderhand een orde op "weliswaar qua rang de kleinste, maar qua grootte de grootste". Het kelnertje voelt zich nu even belangrijk als de ober, die overal vertelt dat hij de koning van Engeland heeft bediend. De hoofdfiguur begint tijdens de Duitse bezetting een vrijage met een Arische dame, waarvoor hij eerst een uitvoerige keuring betreffende Ariërschap en vruchtbaarheid moet ondergaan. Zo weet hij evenals Švejk de oorlog door te komen. Uiteraard wordt hij door zijn landgenoten als een verrader weggekeken, maar hij slaagt er toch in zich na de Duitse bezetting weer aan de nieuwe situatie aan te passen. De communisten maken echter een eind aan het luxueuze hotelleven van de bourgeoisklasse en opnieuw moet het kelnertje pogen zijn weg te vinden in een veranderde wereld. De rijkdom aan anekdotes in deze roman en de ironie geeft het verhaal een bijzondere charme. De censuur kon geen vat krijgen op Hrabal's vertelling over een gewone kelner, in wiens wereld geen plaats is voor ideologische standpunten en politieke verwikkelingen.

Het stadje waar de tijd stil is blijven staan
Het stadje uit de titel van een boek uit 1973 (eveneens vertaald) is Nymburk aan de Elbe, waar - zoals gezegd - Bohumil Hrabal opgroeide. In dit autobiografische verhaal dat niet door de censuur kon komen en in Samizdat moest verschijnen, schetst Hrabal zijn ervaringen en indrukken als opgroeiende jongen en man tijdens het interbellum, de Duitse bezetting en de eerste jaren van het communistisch regime. Anekdotes, ongewone gebeurtenissen, mensen in hun dagelijks leven en vooral Bohumil's familieleden en kennissen, bepalen de sfeer en inhoud van deze levensschets. Een centrale figuur is het zwarte schaap van de familie: oom Pepin, die als ongeschoold arbeider in de brouwerij van Bohumil's vader werkt. Hij is een opschepper, die zijn karige inkomen verbrast met niet al te serieuze barjuffers en die door zijn slordige levenswijze de woede van zijn broer wekt, maar door de minderjarige verteller wordt bewonderd om zijn kleurrijke verhalen, zoals blijkt uit het volgende fragment: "ik wist dat Onze Lieve Heer ... meer van die malloten en enthousiastelingen hield of zelfs doller was op een enthousiaste leugen dan op de gortdroge waarheid, waarmee papa oompje probeerde zwart te maken, zowel in mijn ogen als in de ogen van mijn mama, die samen met oompje zulke gekheid kon uithalen dat de tranen me uit de ogen stroomden in ik een stuip van het lachen kreeg ...".

Intussen wordt het leven met de komst van het communisme in het stadje steeds dorder en kleurlozer: 'In het stadje kon niemand meer het symfonie-orkest bij elkaar krijgen en ook de zangvereniging niet ... ook was de tijd stil blijven staan van eindexamenfeestjes, in niet één café werd nog met kaarten gegokt ... want de oude maatschappij had geen kracht en durf meer en nu was de tijd aangebroken van de grote aanplakbiljetten en grote vergaderingen, waarbij met de vuist gedreigd werd naar al het oude, en zij die met die oude tijd leefden zaten stilletjes thuis en leefden met herinneringen ...'.

Gelukkig kon deze autobiografische schets, waarin Hrabal met enige nostalgie terublikt op zij jeugd, na de 'fluwelen revolutie' in 1989 het ondergrondse circuit verlaten en officieel verschijnen. Men kan zich alleen verbazen over de geborneerdheid en geestloosheid van de communistische machthebbers, die uitgaven van een boek als dist wisten verhinderen, de oude tijd verbonden was en tegen de stroom van de klokkewijzers in liep, was gaan slapen, of was als een hap eten in de keel blijven steken, alsof de tijd erin stikte en langzaam de pijp uitging ...'.

Al te luide eenzaamheid
Een van Hrabal's bekendste (en misschien beste!) boeken is 'Al te luide eenzaamheid', dat de schrijver eerst in Samizdat liet circuleren, maar dat later in een gekuiste versie officieel mocht verschijnen. Het boek bevat veel herinneringen aan Hrabal's eigen ervaringen. Hoofdgifuur is een oude man, Hanta, die oud papier gereed moet maken voor hergebruik. In het labyrint onde Hanta's kelder bestrijden zwermen ratten elkaar, zoals boven zijn kelder vijandige mensenstammen. Tussen het papier-afval, dat tot balen wordt geperst, treft hij werken aan van Nietze, Kant, Goethe en andere grote denkers en schrijvers, die hij van de oudpapierdood redt. Soms beplakt hij een baal oud papier met een reproductie van een meesterwerk der schilderkunst, dat ook in zijn papier-verwerkingsbedrijf terecht is gekomen. De symboliek is duidelijk: alle meesterwerken van de wereldliteratuur komen tenslotte onder de pletpers van de stalinistische maatschappij terecht, die alle originele geesten tot papierpulp laat verbrijzelen. Maar Hanta behoudt zijn geloof in de werken van de geest. Hij ziet immers dat ook het nazisme is verdwenen: 'Ik vermorzelde honderden, duizenden bladzijden vol foto's met juichende boeren, juichende SS'ers, juichende soldaten, met lust smeet ik Hitler en zijn gevolg in de trog van mijn mechanische pletpers'.

Maar Hitler's lachende arbeiders werden opgevolgd door die van Stalin. Hanta gooit zich tenslotte in zijn mechanische pletpers met in zijn hand een boek van Novalis, waarin staat geschreven 'dat ieder geliefd voorwerp het middelpunt is van een paradijs'. Hrabal keert zich nier niet alleen tegen de totalitaire maatschappij, maar ook tegen de alles gelijkschakelende massageest. De mechanisatie mechaniseert ook de menselijke geest. Zij brengt welvaart maar is tegelijk één van de oorzaken van de gruwelen van deze eeuw. Voor Hrabal verschijnt het spookbeeld van de geüniformeerde massamaatschappij. Als in een visioen ziet hij voor zich Lao Tse en Jezus als tegenpolen die volgens hem de geest van Oost en West vertegenwoordigen: 'Ik zag Jezus als een optimistische spiraal, Lao Tse als een vicieuze cirkellijn, Jezus die vervuld was van conflicten en dramatische situaties terwijl Lao Tse in stillte meditatie peinsde over de onoplosbaarheid van het morele aspect van de tegenstellingen ...'.
De polariteit van deze twee figuren openbaart zich in de gehele kosmos, in leven-dood, goed-kwaad, schoonheid-lelijkheid, heden-verleden, schepping-vernietiging.

De tedere barbaar
Het werk van Hrabal bevat vele absurdistische en surrealistische elementen. Dit geldt ook voor het onlangs bij Bert Bakker uitgekomen boek 'De tedere barbaar', evenals het vorige werk van Hrabal door Kees Mercks op voortreffende wijze vertaald. Het is een hommage aan Hrabal's vriend de beeldende kunstenaar Vladimír Boudník met wie hij jarenlang in een Praagse arbeiderswijk woonde en die in 1968 een eind aan zijn leven maakte. Een groot deel van het boek heeft een anekdotisch karakter met verhalen over het bohémienleven, de zwerftochten en kroegbezoeken van beide vrienden, vaak vergezeld door de filosoof Egon Bondy. Ook hier ontbreek de (vaak zwarte) humor niet. Door zijn poëtisch vermogen en filosofische reflectie blijkt dat Hrabal een zeer origineel schrijver is, al zal niet iedere lezer, gewend aan een traditioneel verhaal met een bepaalde plot, de enigszins chaotische stijl vol met invallen en uitvallen kunnen waarderen.
Opmerkelijk is ook Hrabal's stijl met doorlopende zinnen zonder interpunctie. Maar ook het menselijk denken, de"stream of consciousness" kent geen komma's en punten!

Tot slot noem ik nog een verhaal van de nestor van het Tsjechische proza "De novemberorkaan", een kroniek aan de 'fluwelen revolutie', opgenomen in de bundel "Tsjechische verhalen van deze tijd" eveneens vertaald door Kees Mercks. Hierin plaatst Hrabal Tsjechië's laatste revolutie in het kader van zijn tragische geschiedenis van eeuwen onvrijheid, Duitse bezetting en communistische repressie. Ook dit verhaal, geschreven in de vorm van een brief aan een Amerikaanse slaviste bewijst de originaliteit en bijzondere allure van deze "tedere barbaar".


www.tsjechisch.nl - Copyright ZBB Vertaalbureau - e-mail: zbb@tsjechisch.nl